Middelen EU & richtlijn 2004/38

Een van de pilaren van de EU is het vrije verkeer van personen. Artikel 21 van het Werkingsverdrag bepaald dat ‘Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.’

Om dit artikel nader in te vullen is de richtlijn 2004/38 in het leven geroepen (ook wel verblijfsrichtlijn of Unieburgerrichtlijn genoemd). In die richtlijn is bepaald aan welke eisen een unieburger moet voldoen om rechten te kunnen ontlenen aan de richtlijn. Een van de eisen is de zogenaamde de middeleneis. Artikel 7, lid 1, sub b bepaalt dat

Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:  b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt’.

Het is van belang dat unieburgers en hun familieleden over voldoende middelen beschikken zodat zij geen beroep hoeven te doen op de bijstand.

De herkomst van de middelen is niet relevant. Het kan gaan om inkomen uit werk, bedrijf of spaarrekening. 

Hoe zit het met inkomen dat wordt verdiend door iemand die eigenlijk niet mag werken omdat hij geen verblijfsrecht heeft? Telt dit ook als voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in de richtlijn? Volgens het Hof van Justitie moet ook dat inkomen beschouwd worden als middelen in de zin van de richtlijn. 

Het gaat om de zaak van Ermira Bajratari tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 oktober 2019. Daarin bepaalt het Hof het volgende: ‘Uit het voorgaande volgt dat het feit dat de bestaansmiddelen waarop een minderjarige Unieburger zich voor de toepassing van artikel 7, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/38 wil beroepen, afkomstig zijn van inkomsten die zijn ouder, een derdelander, verwerft uit arbeid die in het gastland wordt verricht, er niet aan in de weg staat dat de in die bepaling gestelde voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen ook wordt geacht te zijn vervuld wanneer die ouder in dat gastland niet beschikt over een verblijfs- en werkvergunning.’ (rechtsoverweging 48).

Het arrest van het Hof vindt u hier:  http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=11FAAA0C6E7382AA84D0782F9F29633F?text=&docid=218484&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=4715715 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *