Je wilt je in Nederland wonende neef bezoeken en dient een visumaanvraag in. Je krijgt een visumweigering. Een niet nader genoemde EU-lidstaat heeft zonder opgaaf van redenen bezwaar gemaakt tegen de visumverlening.

De visumweigering is gebaseerd op artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi), van de Visumcode, omdat één of meer lidstaten bezwaar tegen afgifte van het visum heeft of hebben gemaakt.  Omdat het niet bekend is welk land bezwaar maakt is het voor de visumaanvrager onmogelijk om het besluit aan te vechten. Nederland weigert op zijn beurt bekend te maken welk land bezwaar maakt. De visumaanvrager is van mening dat hij zich niet goed kan verdedigen nu hij niet weet waartegen hij zich moet verdedigen.

De visumaanvrager had in Nederland bezwaar ingesteld. Omdat het bezwaar niet ontvankelijk was verklaard had hij beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank werd aanvankelijk verzocht om de zaak aan te houden omdat de rechtbank in Haarlem in een vergelijkbare zaak al prejudiciële vragen had gesteld (C-225/19 en C-226/19, https://ecer.minbuza.nl/c-225/19-en-c-226/19-minister-van-buitenlandse-zaken-e.a.). In die zaken was het echter bekend welke lidstaat bezwaar had gemaakt tegen de visumverlening. En dat was het verschil tussen de Haarlemse zaak en de onderhavige zaak. Om die reden heeft de rechtbank in Amsterdam besloten om een aanvullende prejudiciële vraag te stellen:

‘Wordt de beantwoording van prejudiciële vragen in de zaken bij het Hof geregistreerd onder de nummers C‑225/19 en C-226/19, anders, indien niet bekend wordt gemaakt of bekend is geworden wat het land is dat bij de voorafgaande raadpleging als bedoeld in artikel 22 van de Visumcode bezwaar heeft gemaakt tegen de afgifte van een visum aan de aanvrager?’

Zie voor de verwijzingsuitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:1838

Wordt vervolgd!